Voormalig minister van Buitenlandse Zaken, Albert Ramdin, zegt dat de komst van Mennonieten naar Suriname destijds onderdeel was van een pilotproject. Het ging om 50 Mennonietenfamilies, in totaal ongeveer 300 personen, die onder bepaalde voorwaarden toestemming zouden krijgen om zich in Suriname te vestigen.
Volgens Ramdin moest de benodigde documentatie daarvoor worden voorbereid en ingediend bij het ministerie van Justitie en Politie. Aan de komst waren volgens hem duidelijke voorwaarden verbonden.
Zo mochten de Mennonieten uitsluitend bestaande landbouwgronden aankopen en gebruiken. Het openkappen van bos was niet toegestaan. Ook zou de regering geen grond ter beschikking stellen voor de vestiging van de groep.
Het doel was volgens Ramdin dat de Mennonieten een bijdrage zouden leveren aan de agrarische sector van Suriname. “Elk land heeft meer export nodig. En als dat potentieel er is, moeten we daar gebruik van maken”, stelt hij.
Ramdin benadrukt dat alles onder voorwaarden zou plaatsvinden, onder meer met betrekking tot de legaliteit van hun verblijf en de wijze waarop zij juridisch in Suriname zouden opereren. Volgens de oud-minister hebben verschillende Zuid-Amerikaanse landen ervaring met de aanwezigheid van Mennonieten. In sommige van die landen levert de groep een substantiële bijdrage aan de export en daarmee aan de economie. In andere landen zijn de ervaringen volgens Ramdin minder positief.






