
De vooruitzichten voor de Surinaamse economie zijn op middellange termijn gunstig, vooral dankzij de verwachte groei uit de offshore olieproductie. Op korte termijn zijn de risico’s echter vooral neerwaarts, mede als gevolg van de huidige geopolitieke spanningen en de kwetsbaarheid van Suriname als kleine, open economie. Dat schrijft de Inter-American Development Bank (IDB) in haar meest recente rapport over fiscale veerkracht, schuldreductie en binnenlandse inkomstenmobilisatie in het Caribisch gebied.
Volgens de IDB weerspiegelen de recente economische ontwikkelingen in Suriname een combinatie van tijdelijke schokken en structurele veranderingen. De economische groei vertraagde van 1,7 procent in 2024 naar ongeveer 1,5 procent in 2025. Dat kwam voornamelijk door een daling van de goudproductie, ondanks de hoge internationale goudprijzen.
De niet-grondstoffensectoren bleven volgens de IDB daarentegen relatief veerkrachtig en groeiden verder. Voor 2026 wordt een herstel van de economische groei verwacht tot ongeveer 3,9 procent. Op korte termijn zou de groei vervolgens rond 4 procent stabiliseren, ondersteund door een toenemende binnenlandse vraag en investeringen.
De grootste verandering wordt volgens de IDB vanaf 2028 verwacht. De reële economische groei kan dat jaar oplopen tot maar liefst 28,5 procent. Die uitzonderlijk sterke groei houdt verband met de start van de olieproductie in het GranMorgu-veld voor de kust van Suriname.
De IDB benadrukt dat deze groeispurt vooral een eenmalig effect zal zijn als gevolg van de start van de olieproductie en niet moet worden gezien als een structurele versnelling van de economische groei.
De overgang naar grootschalige offshore olie- en gasproductie betekent volgens de ontwikkelingsbank een belangrijke transformatie van de Surinaamse economie. Waar de mijnbouwsector tot nu toe sterk wordt gedomineerd door goud, zal olie een steeds grotere rol gaan spelen.
In 2025 was de mijnbouwsector goed voor het grootste deel van de export. Goud vertegenwoordigde ongeveer 84 procent van de totale export, terwijl olie goed was voor circa 8 procent.
Diversificatie
De grote uitdaging voor Suriname is volgens de IDB om de economie minder afhankelijk te maken van natuurlijke hulpbronnen. De bank waarschuwt dat de verwachte groei van de olie-inkomsten de dominantie van de extractieve sector juist verder kan versterken.
Suriname heeft volgens de IDB de mogelijkheid om zijn natuurlijke rijkdommen om te zetten in duurzame welvaart, maar daarvoor moet het land verder kijken dan alleen de winning van grondstoffen.
Vooral toerisme en ecotoerisme bieden kansen. Ook duurzame landbouw, moderne agribusiness en verantwoorde visserij kunnen bijdragen aan het creëren van werkgelegenheid en het verbreden van de economische basis. Investeringen in technologie, onderzoek en infrastructuur zijn daarbij noodzakelijk.
Daarnaast ziet de IDB mogelijkheden voor onder meer de verwerking van voedingsmiddelen en dranken en de ontwikkeling van hernieuwbare energie.
Suriname heeft de afgelopen jaren zijn fiscale kader versterkt met de invoering van begrotingsregels en de hervorming van het Spaar- en Stabilisatiefonds (SSF). Het fonds moet bijdragen aan macro-economische discipline en een duurzaam beheer van de inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen.
De begrotingsregels stellen onder meer doelen voor de staatsschuld en beperkingen aan de overheidsuitgaven. Daarnaast moeten alle inkomsten uit mineralen worden gestort in het SSF. Het fonds zal onafhankelijk functioneren en de middelen grotendeels in buitenlandse activa investeren.
De IDB stelt echter dat de autoriteiten nog bezig zijn om zowel de begrotingsregels als het SSF volledig operationeel en effectief te maken.
Volgens de bank is het fonds van cruciaal belang voor de financiële en macro-economische stabiliteit van Suriname. Zonder dergelijke mechanismen bestaat het risico dat de economie nog afhankelijker wordt van volatiele grondstoffenprijzen, in plaats van zich te ontwikkelen naar een meer stabiele en gediversifieerde economie.
Een volledig operationeel SSF moet voorkomen dat grote olie-inkomsten leiden tot buitensporige overheidsuitgaven op korte termijn. De middelen zouden strategisch moeten worden geïnvesteerd om duurzame economische groei te ondersteunen.
Begrotingstekort
De IDB constateert dat Suriname de afgelopen jaren vooruitgang heeft geboekt bij het terugdringen van het begrotingstekort en de staatsschuld. Het begrotingstekort daalde van 12 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2020 naar 9,6 procent in 2025. Het terugbrengen van subsidies en verbeteringen in de belastingadministratie hebben daaraan bijgedragen.
Ook de staatsschuld nam af. Mede dankzij de eerder overeengekomen schuldherstructurering met belangrijke schuldeisers daalde de schuld van 121 procent van het bbp in 2020 naar ongeveer 100 procent in 2025.
De fiscale situatie verslechterde echter opnieuw in 2025. Het tekort liep op van ongeveer 3,4 procent van het bbp in 2024 naar 9,6 procent in 2025. De IDB schrijft dit onder meer toe aan extra overheidsuitgaven in aanloop naar de verkiezingen, hogere subsidies en een eenmalige herkapitalisatie van de Centrale Bank van Suriname.
Per 1 juli 2026 was de begroting voor 2026 goedgekeurd, met een geraamd tekort van ongeveer 5,1 procent van het bbp. Volgens prognoses van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zal de begrotingspositie geleidelijk verbeteren naarmate de olieproductie op gang komt. Het tekort zou in 2026 kunnen dalen tot ongeveer 4,7 procent van het bbp en op middellange termijn uiteindelijk omslaan in een begrotingsoverschot.
Inflatie en wisselkoers
De IDB wijst tegelijkertijd op de kwetsbaarheid van Suriname voor internationale ontwikkelingen. Als kleine economie die sterk afhankelijk is van importen, blijft het land gevoelig voor inflatie en wisselkoersschommelingen.
De huidige geopolitieke spanningen kunnen daarbij extra druk veroorzaken. Hoewel Suriname een toekomstige olieproducent is, kan een stijging van de internationale olieprijs op korte termijn juist nadelig zijn, omdat het land meer afhankelijk is van importen dan dat het momenteel profiteert van olie-exporten.
Olie en gas maken bovendien meer dan een derde uit van de energiemix van Suriname. Daardoor hebben internationale olieprijsbewegingen rechtstreeks invloed op de binnenlandse energiekosten.
De inflatie is volgens de IDB sterk gedaald van ongeveer 60 procent in 2020 naar 13 procent eind 2025, maar bleef in 2026 relatief hoog.
Ook de depreciatie van de Surinaamse dollar vormt een risico. Ondanks hernieuwde interventies van de Centrale Bank verloor de munt tussen eind 2024 en eind 2025 ongeveer 9 procent van zijn waarde ten opzichte van de Amerikaanse dollar. Dat verhoogde de kosten van importgoederen en zette de inflatie verder onder druk.
Om de gevolgen van internationale olieprijsstijgingen voor de samenleving te beperken, werd in het eerste kwartaal van dit jaar tijdelijk een prijsplafond ingevoerd. Volgens de IDB zorgt deze maatregel echter ook voor extra druk op de overheidsfinanciën.
De IDB concludeert dat Suriname voor een belangrijke keuze staat. De verwachte olie-inkomsten bieden grote kansen voor economische groei, maar het uiteindelijke succes zal afhangen van de manier waarop deze inkomsten worden beheerd. Sterke instituties, een effectief Spaar- en Stabilisatiefonds, begrotingsdiscipline en investeringen in niet-grondstoffensectoren zijn volgens de bank noodzakelijk om de natuurlijke rijkdom van Suriname om te zetten in duurzame en inclusieve welvaart.






