
Het was gisteren 181 jaar geleden dat de eerste groep Nederlandse kolonisten voet aan wal zette in Suriname. Ter gelegenheid hiervan vond in Groningen, district Saramacca, een herdenking plaats waarbij districtscommissaris Aniel Ramautar samen met vertegenwoordigers van de Stichting Sranan Boeroe een krans legde bij het Boeroemonument op het Monumentenplein en het monument voor de boerenkolonisatie op de algemene begraafplaats van Groningen.
De herdenking stond stil bij de aankomst van de Nederlandse boerenfamilies in 1845. Wat destijds begon als een koloniaal landbouwexperiment, groeide uit tot een gemeenschap die een blijvende bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van Suriname. De kolonisten, voornamelijk afkomstig uit de Nederlandse provincies Overijssel en Gelderland, vestigden zich onder zware omstandigheden in onder meer Groningen en Saramacca.
Ondanks de vele uitdagingen, waaronder ziekte-uitbraken en moeilijke leefomstandigheden, drukten de Boeroes hun stempel op de agrarische ontwikkeling van het land. Hun landbouwkundige kennis, boerderijen en irrigatiewerken zijn nog altijd zichtbaar in delen van Suriname.
Het kolonisatieproject werd in 1853 officieel beëindigd. Van de 398 kolonisten die uit Nederland arriveerden en de 68 kinderen die in Suriname werden geboren, waren na epidemieën nog 223 personen in leven. Uiteindelijk keerden 56 kolonisten terug naar Nederland, terwijl 167 in Suriname bleven en de basis vormden voor de huidige Boeroe-gemeenschap.
De Boeroes maken inmiddels al bijna twee eeuwen deel uit van de multiculturele samenleving van Suriname. Ter gelegenheid van de herdenking feliciteerden districtscommissaris Ramautar, het personeel van het districtscommissariaat Saramacca en andere betrokkenen de Surinaamse gemeenschap, met in het bijzonder de leden van de Stichting Hollandse Boeren in Suriname, met deze bijzondere dag.






